Overijssels Kanaal


Het Overijssels Kanaal, vroeger vaak ook Almeloosch Kanaal genoemd, is een 100 kilometer lang kanalenstelsel in Overijssel. Het was niet alleen de vaarweg tussen Zwolle en Almelo, ook Raalte en Deventer werden op het kanaal aangesloten en bij Vroomshoop was een zijtak naar De Haandrik. Het kanaal werd opengesteld voor de scheepvaart tussen 1853 en 1858 en op 1 augustus 1988 gesloten. Alleen Vroomshoop-De Haandrik bleef open.

Rijksstraatwegen
Met de opkomst van de textielindustrie in Twente ontstond de behoefte aan goede transportwegen in Overijssel. De hobbelige en vaak onbegaanbare zandwegen waren niet geschikt voor de aan- en afvoer van goederen. Daarom werd een aantal ‘grote’, met steen verharde rijksstraatwegen aangelegd, onder andere tussen Zwolle en Hengelo (1834). Deze straatwegen hadden voor de gebruikers echter één groot nadeel: de tol. Tussen Hengelo en Zwolle moest je maar liefst twaalf keer in de geldbuidel tasten. Dat werd simpelweg te duur.

Bestaande waterwegen
De handelaren lieten daarom de nieuwe wegen links liggen en vielen terug op de bestaande waterwegen, zoals de Regge en de weteringen. Die werden bevaren met zompen, kleine schuiten met een platte bodem speciaal voor de vaart in ondiep water. Een grote zomp had mét vracht een diepgang van maar zo’n 65 cm, maar zelfs dit was regelmatig nog te veel.

Tussen 1800 en 1850 werd het Ministerie van Binnenlandse Zaken bestookt met brieven uit Overijssel die duidelijk maakten hoe slecht het gesteld was met de straat- en waterwegen. Maar alle voorstellen om de waterwegen te kanaliseren werden de grond in geboord: te duur, te weinig metingen, geen prioriteit.

Eerste plannen
In 1833 werd bij Gedeputeerde Staten van Overijssel een plan ingediend voor een kanaal dat liep van de Nieuwe Wetering, over het traject van de Steenwetering via Dalmsholte, naar de Regge en Almelo. Na veel gedoe over de financiën kwam er uiteindelijk goedkeuring, maar de plannen struikelden over het beheer van het kanaal. Ook een plan uit 1841 haalde het niet, nu door gebrek aan geld. Bovendien was de aandacht van de provincie inmiddels verschoven naar een nieuwe manier van transport: de trein. De aanleg van een spoorweg van Zwolle via Almelo naar de Duitse grens en van Deventer naar Raalte bleek echter veel te kostbaar. En zo kreeg het kanaal een nieuwe kans. De eerste metingen werden gedaan in 1845 en in 1849 waren de plannen gereed. Voor aanleg en beheer werd de Overijsselse Kanalisatie Maatschappij (OKM) opgericht. Een van de eerste taken was de aankoop en onteigening van gronden. Zo werd in 1852 door de OKM 300 gulden betaald aan de weduwe T. Eikenaar van ’t Vonder aan de Hagenweg voor ruiling van gronden en 160 gulden aan G. Eikenaar voor het afbreken van gebouwen.

Vier kanaalsecties
Het kanaal werd in vier afzonderlijke secties aangelegd: van Zwolle naar de Regge, van de Regge naar Daarle en de Vecht, van Daarle naar Almelo en van Deventer naar Dalmsholte. Sectie 1 was het deel dat langs Laag Zuthem en Heino richting Lemelerveld liep. Deze sectie begon in de stadsgracht van Zwolle en liep via de bestaande Nieuwe Wetering naar de landerijen van De Linthorst, waar tegenwoordig het gemaal Langeslag is. Vanaf dat punt moest er nieuw gegraven worden.

De aanleg
Voor de aanleg moest eerst de Nieuwe Wetering worden verdiept. Het baggerwerk werd met de hand gedaan. De bodem werd losgewoeld met stokken waaraan beugels waren bevestigd, waarna het opgewoelde zand met een net uit het water werd geschept. De uitgebaggerde grond werd gebruikt om de oevers op te hogen en een jaagpad aan te leggen.

Voor het graven van het kanaal zelf werden 532 arbeiders aangetrokken. Ook arbeiders uit de omgeving van Heino. Een van hen was Albert Roessink, die speciaal daarvoor uit Colmschate was gekomen en later brugwachter zou worden van de Bolderbrug. Zij kregen 15 cent per kubieke meter afgegraven grond uitbetaald. Het loodzware werk werd gedaan met spaden en kruiwagens. In juni 1853 was alle grond voor het kanaal over een lengte van 13 kilometer afgegraven.

Tot slot werden de bruggen gebouwd: twee houten draaibruggen (de Linthorsterbrug en de Ganzepannerbrug) en zeven houten ophaalbruggen (alle andere bruggen). Deze kwamen in juli 1853 gereed. Daarmee was dit eerste kanaalproject klaar. Het kanaal van Zwolle tot aan de Regge werd op 1 augustus 1853 opengesteld voor de scheepvaart. De andere drie secties werden opengesteld in juni 1855, september 1858 en november 1858. 

Voorden en bruggen 
Het deel van het Overijssels Kanaal vanaf de Nieuwe Wetering werd gegraven op de plek van de oude Steenwetering. Weteringen waren op sommige plaatsen zo ondiep dat ze doorwaadbaar waren, iets waarvan het wegverkeer natuurlijk dankbaar gebruik maakte. Zo was er op de plek van de huidige Bolderbrug een voorde waar de Twentseweg dwars door de Steenwetering liep. Bij die voorde was een losplaats voor de schepen. Deze werd Mestgat van de Gunne genoemd, waarschijnlijk omdat hier veel stratenmest uit Zwolle werd gelost. Deze werd gebruikt voor de bemesting van de landerijen. Er was al wel een brug over de wetering, de Bolderbrug. Die lag 300 m verderop naar het westen, op de plek waar de Hagenweg bij de wetering uitkwam. Toen in 1853 de Ganzepannerbrug werd aangelegd in de Rijksstraatweg naar Zwolle werd een nieuwe Bolderbrug gebouwd op de huidige plek aan de Twentseweg.

Die Ganzepannerbrug was trouwens geen onverdeeld succes. De draaibrug was te smal en liep niet gelijk met het hart van de weg. Dat leidde soms tot gevaarlijke situaties en ooit belandde een auto daardoor bijna van de brug af in het kanaal. De brug werd in 1933 vervangen door een vaste brug.

De andere bruggen in de buurt van Laag Zuthem en Heino waren de Linthorsterbrug bij de splitsing van de Nieuwe Wetering en het kanaal, de Kluinhaarsbrug op de weg naar Dalfsen en de Doktersburg in de Dalmsholterweg, vlak na de afslag naar Lemelerveld. Bij alle bruggen was een kade waar de schepen afmeerden voor het transport van hun lading. Vooral turf.

Voor de bruggen werden brugwachters aangesteld. Zij moesten dag en nacht paraat staan om de brug te bedienen. Als een schipper een brug naderde, toeterde hij meestal. Dan werd de brug door de brugwachter opengedraaid. Dat was zwaar werk, vooral als het hout nat was. Soms moest men met twee man de brug oplopen om deze weer dicht te krijgen. Het bruggeld werd door de schipper in een klomp gedaan die aan een hengel was bevestigd. Schippers met een boot tot 100 ton moesten 3 cent in het klompje doen, schepen met een hoger tonnage 5 cent. Brugwachter van de Kluinhaarsbrug was Willem Duteweerd. Brugwachters van de Ganzepannerbrug waren Arjan van der Heide, Hendrik Mulder, Derk Jan Eshuis, Geertje Deusjen, Herman Eshuis, Berendina Hazelhorst-Bruggeman en Johan Eshuis.

Sluizen, loswallen, ligplaatsen en zwaaikommen
In de eerste sectie van het kanaal kwamen drie schutsluizen met sluiswachterswoningen: Sluis I kwam bij De Linthorst, Sluis II aan het eind van de Lageweg en Sluis III vlak bij Lemelerveld. De sluizen waren op 15 november 1852 gereed. Sluis II werd bediend door sluiswachter Linthorst. Vlak daarbij was ook een loswal, waarvan de resten nog zichtbaar zijn. Op de plek van de sluis is nu een stuw met een oversteek voor voetgangers en fietsers.

Langs de oevers zijn nog meer resten te zien van loswallen, ligplaatsen en zwaaikommen waar de schepen elkaar konden passeren. Aan de Hogeweg, halverwege de N35 en de boerderij op Hogeweg 2, is bijvoorbeeld nog steeds een verbreding in het kanaal die gediend kan hebben als zwaaikom.

Breder en dieper
In 1857 waren nog baggerwerkzaamheden nodig aan het kanaal. De bodembreedte van het kanaal moest worden vergroot van 4 meter naar 7,50 meter en de diepte naar 1,60 m. Omdat er een groot tekort was aan ervaren baggerlieden, moest men het kanaal leeg laten lopen, zodat arbeiders de bodem konden uitgraven. Later zijn baggerlieden nog jarenlang bezig geweest om de bovenbreedte van het kanaal, die toen ca. 8 meter was, met twee meter te vergroten.

Bloeiperiode
De bloeiperiode van het Overijssels Kanaal lag in de periode 1850-begin 20e eeuw. Tot in de jaren 1880 vond het goederenvervoer op het kanaal nog volledig met ongemotoriseerde schepen plaats. Bij gunstige wind werd er gezeild, anders moest men ‘jagen’, het schip trekken. Voor dat doel waren overal langs het water ‘jaagpaden’. Schippers die genoeg geld hadden huurden daarvoor paarden in, maar vaak trokken de schipper en zijn vrouw zelf om beurten met het ‘trekzeel’ het schip voort. 

In 1883 vroeg een aantal schippers toestemming om met een stoomboot op het kanaal te varen. Twee van hen kregen inderdaad een vergunning, maar de regels waren streng, omdat men bang was voor schade aan de kanaalboorden. Toen een van hen te hard had gevaren, werd hij opgepakt, kreeg een boete van 25 gulden en een gevangenisstraf van 3 dagen (die trouwens kort daarna werd kwijtgescholden).

Na de Tweede Wereldoorlog voeren er steeds meer schepen met dieselmotor over het kanaal. Het ritmisch bonkende geluid van deze motorboten was tot in de verre omtrek goed te horen.

Druk scheepvaartverkeer
Er werd turf uit noordoost Overijssel naar het westen vervoerd, maar ook textiel en andere producten. De turf werd ook in Heino en omgeving gelost, zoals bij Van Lenthe tussen de Bolderbrug en de Kluinhaarsbrug en bij de Ganzepan. Stratenmest uit Zwolle werd naar de Hooge Haar gebracht, een bosrijk gebied bij de Stoevinghe dat de gemeente Heino voor ontginning had aangekocht als werkverschaffingsproject. Grootgrondbezitter (burgemeester) Vidal de St. Germain kocht tonnen mest per jaar op uit Zwolle.

Druk scheepvaartverkeer was er vooral in het najaar tijdens de suikerbietenoogst. Er waren dagen dat er meer dan vijftig schepen vanuit de noordelijke provincies naar de suikerfabriek in Lemelerveld voeren. Tijdens topdrukte lagen er soms van de Ganzepan tot aan Lemelerveld schepen te wachten om gelost te worden.

Achteruitgang en sluiting
Na de oorlog nam het vervoer over het kanaal zienderogen af. Er waren inmiddels betere en snellere manieren van transport. In 1962 werd het kanaal tussen Sluis I en Sluis III ‘tijdelijk’ voor de scheepvaart gesloten, om nooit meer open te gaan. Het waterschap Salland nam het beheer en onderhoud over en het kanaal kreeg een rol in de waterhuishouding van Salland. In 1988 werd het deel Deventer-Raalte gesloten. Zo kwam een eind aan meer dan honderd jaar bedrijvigheid op de wateren in Salland.

Colofon

De geschiedenis van de Overijsselse kanalen, drs. A. Smolders, gepubliceerd door Hoofddirectie Rijkswaterstaat, februari 1989

De Canon van Heino, 2011, Vereniging voor Heemkunde ‘Omheining’

https://www.dalfsennet.nl/nieuws/290523/aan-het-woord-roelof-roesink-van-de-bolderbrugge-over-vrogger.html

Oud Boerenland, deel 1, H.J.A. Overkamp, 2011, Vereniging voor Heemkunde ‘Omheining’

Twentseweg, G. Vloedbeld, H. Overkamp, 2023, gezamenlijke uitgave van historische verenigingen Almelo, Wierden, Hellendoorn/Nijverdal, Raalte, Heino, Dalfsen en Zwolle

Archieven van Vereniging voor Heemkunde ‘Omheining’, diverse kwartaalbladen

www.delpher.nl

© Tekst: Joke Zwaal

Gerelateerde informatie


OnderwerpenFoto’s





Reageren

Via onderstaand formulier kunt u een reactie achterlaten voor de auteur of de eigenaar van het item. (Administrator)