Duijvelshuis
In de Oude Veldhoek bevinden zich de oudste bouwlanden en ook het oudste boerenerf van dit gebied, namelijk Duijvelshuis. De akkergrond werd vroeger door de plaggenbemesting steeds hoger. Bij het uitgraven van een bouwput
voor een woning rond 1960, bleken onder de zwarte grond op 1 meter diepte, de voren van de ploeg nog terug te vinden te zijn.
Eerste vermelding in 1447
Bij de eerste vermelding in 1447 was het al een vrij grote katerstede. Het erf was toen een leenerf van de graaf van Rechteren. In 1471 en 1491 werd het Duijvelshuis weer vermeld, vanwege gerechtelijke processen over de houtopbrengsten tussen eigenaar en pachters. In die tijd was de pacht 28 mudde rogge. Hieruit blijkt dat het een vrij grote katerstede was. Het stond afwisselend in de marken Lenthe en Dalmsholte. Door vererving is dit erf van verschillende eigenaren (leenheren) die tot 1649 allemaal een band met Rechteren hadden.
Door betere ontwatering, de Heinose Vloedgraven werd doorgegraven in dit gebied, kon men vanaf 1600 meer grond ontginnen. Deze ontwikkeling gold voor het hele gebied dat steeds groter en vruchtbaarder werd. Er werden katerstedes afgesplitst waar keuterboeren begonnen. Die katersteden werden boerderijen. Een goed voorbeeld is boerderij Grote of Oude Rozeboom, die uit zo’n afsplitsing is ontstaan.
Rijkdom en welvaart
Het Duijvelshuis werd net als alle andere erven in de Veldhoek in 1649 gekocht door de vermogende Jacob Vriezen, eigenaar van de havezate de Aalshorst onder Dalfsen. Er werd een spieker (graanopslag) genaamd Nikes (Duivel) naast de boerderij gebouwd met daaromheen een gracht tegen diefstal. Dat spieker werd in 1776 trouwens alweer afgebroken. Er kwamen lanen en een sterrenbos. Om de bouwkampen werden brede rechte houtsingels aangelegd en de grond werd herverdeeld. Grote aantallen schapen zorgden voor veel mest op het land en de vruchtbaarheid nam snel toe.
Vanaf 1649 tot 1887 heersten nazaten van Jacob Vriezen over dit gebied, allen met veel statuur. Zo was de dochter van Vriezen getrouwd met met Jan Willem de Famars. Dit echtpaar had een huis in Zwolle en de buitenplaatsen de Aalshorst en Zandwijk in bezit. Na het overlijden van de Famars verkocht zijn weduwe het omvangrijke bezit in de Veldhoek. Daar hoorden naast erf Duijvelshuis ook erf en herberg Grote of Oude Rozeboom, erf Kleine Rozeboom en katerstede Dullink bij.
Duijvelshuis wordt Duivenhuis wordt De Meijer
Toen in 1859 Harmen Morrenhof uit Gorssel het Duijvelshuis kocht, werd de naam van deze boerderij, waar hij zich met zijn gezin in 1860 vestigde, Duivenhuis of Doevenhuis. Deze familie boerde daar tot 1895.
In 1908 kwam de eerste Boerkamp van boerderij de Meijerij (Posthoornweg Lemelerveld) op het Duivenhuis. De boerderijnaam veranderde opnieuw, nu in de Meijer.
Eén boerderij wordt vier boerderijen
Omstreeks 1923-24 werd het geheel gesplitst in vier boerderijen. Zoon Johannes (Jans) kwam op boerderij Denneboom, zwager Antoon Oosterlaar (Cents Tone) bouwde een nieuwe boerderij op de plek van het vroegere sterrenbos (Lemelerveldseweg 44), Antonius (Antoon) bouwde op de vroegere kamp van Grote Rozeboom een nieuwe boerderij (Lemelerveldseweg 69). Bernard bleef op de oude boerderij het ‘Oale huus’ (nu Lemelerveldseweg 42A).
In 1951 is de oude boerderij de Meijer afgebrand en weer opgebouwd, nu met de voorgevel omgekeerd naar het oosten. Na de overdracht van de boerderij aan zoon Herman, werd op de plek van de vroedere schaapskooi voor vader Bernard een nieuw huis gebouwd (Lemelerveldseweg 67).
De van oorsprong gemengde bedrijven werden vervangen door grote varkenshouderijen.
Colofon
Oud Boerenland, deel 2, H.J.A. Overkamp, 2014, Vereniging voor Heemkunde 'Omheining'

