Zompen en aken
Voor de vaart op het Overijssels Kanaal en de weteringen werden meestal zompen gebruikt. Deze schuiten hadden een platte bodem en een rechte achtersteven en waren speciaal gebouwd voor ondiep water.
Kleine en grote zompen
Kleinere zompen hadden een zeer geringe diepgang van zo’n 40 cm, waren ongeveer 8 m lang en 1,8 m breed en hadden een laadvermogen van 3 à 4 ton. Ze waren goed wendbaar. De zompen die de rivieren de Vecht, Regge en Berkel bevoeren waren flink groter dan de zompen op de Nieuwe, Oude, Steen- en Soestwetering. Een grotere zomp kon zo'n 10-12 ton vervoeren en werd ook gebruikt op het Overijssels Kanaal. De zijwanden van de zomp konden met behulp van schotten verhoogd worden om meer losse goederen zoals mest te kunnen vervoeren.
Er was een klein vooronder waar de schipper en eventueel nog iemand anders konden koken en slapen. Meestal bleef de vrouw thuis want de schipper woonde aan het vaarwater en kwam bijna iedere avond naar huis. Bij drukte nam de schipper een knecht of een van de grotere kinderen mee als hulp.
'Jagen'
De schuiten waren uitgerust met een grootzeil en een fok. Als er niet kon worden gezeild, werd de schuit geboomd en als de oever het toeliet, kon de boot ook worden ‘gejaagd’. Eén persoon, bijvoorbeeld de schipper of zijn vrouw, was voldoende om een beladen schuit aan een ‘jaagzeel’ door het water te trekken. Als de schipper het zich kon veroorloven, huurde hij een sleper in en liet hij zijn schip jagen door paarden. In Heino deed onder andere sleperij Blom dat.
Beurtschipper Schoenmaker voer tweemaal per week over het kanaal met zijn vrachtboot die door twee paarden werd getrokken. Het was de vaste ‘vrijdag-boot’, die vanaf 's morgens 5 uur de kooplieden met hun eieren en boter naar de markt in Zwolle vervoerde.
Wat vervoerden schippers uit Heino
De schippers uit Heino en omgeving voeren vrijwel allemaal met een zomp. Ze vervoerden nagenoeg alles wat maar verhandelbaar was. Graan, turf, hout, en zelfs de mest uit de straten van Zwolle, die hier over de landerijen werd verspreid. Ook nam men, als de wegen door slecht begaanbaar waren en er nog wat ruimte naast de lading was, wel eens een passagier mee. De schippers combineerden hun varend bestaan soms met ander werk. Velen waren ook eigenaar of pachter van een katerstede of een herberg.
Aken en tjalken
Voor het vervoer van ijzererts, zand en grind werden voornamelijk grotere aken of tjalken gebruikt. Dit waren binnenvaartschepen, voorzien van een roef: een overdekt deel waar woonruimte was. De schipper nam hierop zijn gezin wel mee, omdat ze geen vaste woonplaats hadden. Ze bevoeren grote rivieren, kanalen, meren en de Zuiderzee. De overslag van goederen als turf, grind en riet vond plaats aan de kades in Zwolle. Aken met hun platte bodem en een brede boeg voeren soms met meer dan 150 ton lading. In Heino voer alleen de familie Stavorinus met een groter schip (zie verderop).
Schippers aan de Nieuwe Wetering
Aan de Nieuwe Wetering woonden aan het eind van de 18de eeuw drie schippersfamilies: Tutert, Van Borne en Vulkers. De laatste werd ook wel Bruggeman genoemd, omdat hij tol mocht heffen voor de Borremansbrug naast zijn huis.
De familie Tutert woonde aan het eind van de huidige Rozendaelseweg en had daar een haventje met een opslagplaats. Vanaf die plek ging veel vracht- en personenvervoer richting Zwolle, en omgekeerd werden aangevoerde goederen met paard en wagen via de Tutersteeg naar Heino gebracht. De beide andere families hadden naast een aantal schuiten ook een herberg: De Oude Born (met brouwerij) en De Zwarte Arend, in de volksmond De Nieuwe Born. Tot ongeveer het midden van de 19de eeuw waren deze herbergen in bedrijf. Daarna werden het gewone boerderijen.
Andere bekende tussenstops aan de Nieuwe Wetering waren herberg De Witte Leeuw aan de Breedenhorstweg en herberg met doorrijschuur Bethlehem bij de Linthorstbrug aan de Langeslag.
De schippersfamilie Stavorinus
Deze schippersfamilie begon met Abele (1836) en Roelofje Stavorinus-Brinkman die eerst de Dedemsvaart en later het Overijssels Kanaal bevoeren met de aak Vrouw Roelofje. Ze vervoerden turf en losten die bij de Ganzepan, de Kluinhaarsbrug of de Bolderbrug.
Zoon Siebe (1864) trouwde met Riek Roessink uit Dalfsen. Zij voeren eerst met de praamaak Het Goede Vertrouwen en leverden turf aan de bewoners van Heino, later samen met zijn jongere broer Klaas. In 1917 kocht Siebe de ijzeren tjalk Hoop op Zegen die voer op motorkracht. Ze gingen ook dekriet vervoeren.
De 2e zoon van Siebe, Abele (1899), trouwde met zijn nicht Dieke Roessink, dochter van brugwachter Albert Roessink van de Bolderbrug. Zij kochten in 1926 de stalen klipper de Nijverheid. Zijn broer Roelof (1901) kwam na het faillissement van zijn kruidenierszaak en brandstoffenhandel in Heino Abele en zijn vader Siebe helpen op hun schepen. Na het overlijden van vader erfde Abele de Hoop op Zegen en nam hij de handel in turf en riet voor zijn rekening. Roelof ging varen op de Nijverheid en vervoerde o.a. graan voor maalderijen aan het Overijssels Kanaal, ook in Heino. Na de oorlog voeren ze op Rotterdam en de Zaanstreek en vervoerden arbeiders en generatorhout. Ze hebben ook veel in de oorlog gezonken schepen geborgen.
De Hoop op Zegen werd in 1952 verkocht. De oudste zoon van Abele, Siep (1932) bleef tot 1958 varen op de Nijverheid en kocht daarna het motorschip Aeolus.
Zompschippers in Heino
In het bevolkingsregister van de oude gemeente Heino komen heel wat zompschippers en schippersknechten voor die in de 19e eeuw de weteringen en later ook het kanaal bevoeren:
- Berend en Hendrik Jan Klein Ganseij (Bendijksweg 5)
- Jan en Jan Hendrik Schuurman (Hogeweg 3)
- Jan en Hermannes Koetze(n) (Hogeweg 7)
- Jan, Klaas en Antoon Eilander en Harm van Oosten (Hagenweg 6a/7)
- Albert Poelakker en Antonij Smit (Hagenweg 11/13)
- Geert van Lier, Antonij Zunnebeld en Hendrik van der Hoogte (Langeslag 51)
- Albert en Hendrik Tutert (Herenbrinksweg 2)
- Frederikus Vulkers, Jan en Gerhardus Zunnebeld, Antonij Ribberecht, Gerrit Jan Zweers en Bernard Mossink (Bornweg 4)
- Jan Derksen en Jan Jansen Groen (Rozendaelseweg 24)
- Jan, Hendrikus, Willem, Gerhardus en Lambertus Tutert (Rozendaelseweg 30)
- Egbert Loman en Albert Jan Jolink (Twentseweg 65)
- Gerrit Jan Treep (Woolthuisweg 28)
Nuttig in moeilijke tijden
Het relatief snelle vervoer over water kwam in moeilijke tijden goed van pas. In 1772 werd, in verband met een dreigende hongersnood wegens een misoogst, schipper Lambert Hendriks naar Zwolle gezonden om "eenhonderd en vijf schepel rogge en vijftien schepel boonen per schuite te halen". En de schippers van Tutert en Vulkers aan de Rozendaelseweg en de Bornweg zetten in 1784, tijdens grote overstromingen, 4 schuiten in ‘tot hulp en redding van mensen en vee’. Dat was al eerder gebeurd in 1754 en was weer nodig in 1825 toen een groot gebied rond Heino onder water kwam te staan.
Teruggang zompvaart
Met het verbeteren en verharden van de wegen en het graven van het Overijssels Kanaal kwam uiteindelijk de scheepvaart op de weteringen stil te liggen. In het midden van de 19de eeuw waren er nog zo'n zeven schepen in Heino geregistreerd. Het was het schipper Loman die rond 1900 als laatste de Soestwetering bevoer met zijn zomp.
De laatste zomp ging in 1925 uit de vaart en belandde in 1942 in het Openluchtmuseum in Arnhem. De zomp werd in de oorlog verwoest, waarna op basis van tekeningen en restanten in 1986 een replica werd gebouwd, de Regt door Zee. Deze ligt in Rijssen in de Regge en wordt in de zomermaanden gebruikt voor tochtjes met toeristen en andere belangstellenden.
Colofon
De geschiedenis van de Overijsselse kanalen, drs. A. Smolders, gepubliceerd door Hoofddirectie Rijkswaterstaat, februari 1989
Diverse artikelen in kwartaalbladen van Omheining over de familie Stavorinus, geschreven door Roland en Hein Stavorinus
Bevolkingsregister oude gemeente Heino
Oud Boerenland, diverse delen, H.J.A. Overkamp, 2011-2018, Vereniging voor Heemkunde 'Omheining'

